donderdag 12 april 2018

Het meisje en de schildpadden

Er was eens een meisje, dat liep op het strand. het was een heel mooi strand met droog rul zand. De zon scheen, het was zomer. De zee was groenblauw en stuurde steeds opnieuw een golf het strand op. Ze liep het liefst daar waar de golven haar enkels omspoelden. Haar benen waren bruin en droog van al die dagen die ze al aan het strand had doorgebracht.
Plotseling zag ze in de verte de schildpadden alweer liggen. het leek of ze op haar lagen te wachten. Op een wonderlijke manier werd ze door de beesten aangetrokken. Toen ze ze in het zicht kreeg begon ze te rennen en hijgend plofte ze naast de schildpadden in het zand. Het zand waaierde over ze uit door de vaart waarmee ze neerviel.

Als er al één van hen zijn poten of kop buiten het schild had gehad dan was dat nu niet meer zo want schildpadden verschansen zich bij dreiging van gevaar. Ze trekken poten en kop terug in het schild. Waarschijnlijk lagen ze nu wat grommend te mopperen in hun schild over al dat binnenwaaiende zand. Maar het meisje had niks in de gaten. Was blij dat de schildpadden er nog waren. Was er zeker van dat de beesten ook blij waren dat zij er weer was. Ze ging op haar zij liggen met haar hoofd in het zand om bij één van de schilden naar binnen te loeren. Het zand vermengd met het overgebleven zout uit de zee zat nu in haar haar en haar oren. Maar ze merkte het niet. Ze praatte heel zachtjes tegen het beestje wat daar binnenin moest zitten. Ze vertelde op fluistertoon dat het zo mooi was op het strand. En vroeg of hij even tevoorschijn wilde komen. Beloofde dat er echt niks zou gebeuren. Het was veilig op het strand en in geval van gevaar zou zij hem beschermen. Dat beloofde ze. Het duurde lang zoals ze daar lag te praten op zachte geruststellende toon. Vriendelijk, vol liefde. Heel even dacht ze dat ze iets hoorde en stopte ze met praten. Maar er gebeurde niks.

Verdrietig keek ze naar de andere schilden, geen pootjes, geen kopje, niks. Zo zagen ze toch niks dacht ze. En het is hier zo mooi. De zon schijnt over de golven, het schittert tot aan het eind van de horizon. Er lagen allemaal schelpen en schelpje die je kon verzamelen. Het strand grensde aan de ene kant aan de duinen maar aan de andere kant aan een naaldbomenbos. En het strand was zo wit en zo warm. Ze was helemaal gelukkig, de schildpadden zouden ongetwijfeld uit hun schilden komen. Dat kon niet anders.

Ze vloog weg naar het water, had zin om te zwemmen. Ja, ze trok haar jurk uit en rende het water in. Even benam de onverwachte kou haar de adem maar dat was maar kort. Ze was snel gewend en plonsde kopje onder. Probeerde steeds weer opnieuw onder de volgende golf te duiken. Ze was gelukkig. Ze zwom in de zekerheid dat de schildpadden straks uit hun schilden zouden kruipen en met haar mee zouden gaan. Vol verwachting. Het water spoelde het zand weer uit haar haren en haar oren. Ze trok nu alles uit. Er kwam hier nooit iemand en naakt zwemmen was heerlijk. Haar hele huid die aangeraakt werd door dat zachte water. Steeds bewegend. Ze ging een heel stuk op haar snelst zwemmen totdat ze zich proestend omdraaide op haar rug. Even uithijgen en haar ademhaling terugbrengen naar een normaal ritme. Zo, even kijken hoet het met haar schildpadden was. Op tenen liep ze ernaartoe, wel wetend dat ze misschien door haar rennen weer weg zouden zijn. En? Zag ze een pootje? Een kopje? ....Nee. Nog steeds niks. Ze pakte es eentje op, rammelde er een beetje mee. Gebeurde er nu iets? Iets harder rammelen.. het voelde gek, dat lijfje wat binnenintegen dat schild bonkte. Ah, er schoot haar iets anders te binnen. Weg rende ze weer. het zand dwarrelde weer in het rond door haar plotselinge vaart. Hoorde ze nog een zacht grommend protest?

Ze gin in het bos een stokje zoeken. Het zonlicht, brandend op het bladerdak, kwam maar mondjesmaat tussen de bomen terecht. Oooo, wat rook het hier lekker. Het geluid van de zee werd in het bos ook veel zachter, een beetje mysterieus. Ze dwaalde een heel eind voordat ze het goede formaat stokje had gevonden. Een stokje met een goed vorm. Ze had een beetje een haakje nodig. En ja, gevonden! Huppelend ging ze weer terug naar haar goede vrienden. Nu zou het echt gaan lukken. Hadden ze haar gemist? Ze was ervan overtuigd. En natuurlijk waren ze blij dat ze weer teruggekomen was. Ze plofte neer bij diezelfde waar ze net mee gerammeld had. Ging nu voor de achterkant liggen, op haar zij. Weer met haar oor en haar in het zand. Het bleef nu nog veel erger plakken omdat ze nog vochtig was van het zwemmen. Ze pakte het stokje en stak dat in het gat waar een pootje uit hoorde te komen. Heel diep kon het stokje er niet in

Ze duwde es even, waar ze tegenaan duwde gaf een klein beetje mee. Veerde een beetje. Ze haalde het er weer even uit om te kijken waar het haakje ook weer zat. En hup, het stokje er weer in. Ze probeerde nu het haakje ergens achter te krijgen. Dan trok ze gewoon een pootje naar buiten. Zo kon de schildpad ontdekken dat als die poot buiten het schild zat dat er heus niks gebeurde. Ze peuterde en prutste maar kon niet echt houvast krijgen. Gevoelens van ongeduld begonnen in haar buik te borrelen. Ze gooide een beetje bozig een hand vol zand op het schild. Met opzet ook een beetje zand in het schild. Dat leek haar lastig voor het beest. Eigen schuld! Ze was hier nu toch!? Waarom wilde hij niet even naar buiten komen?

Ze werd nu toch wel een beetje onrustig. Wisten de schildpadden eigenlijk wel dat ze hier was? Misten ze haar als ze naar huis moest? En waren ze blij als ze haar aan zagen komen? In een soort van laatste wanhoopspoging besloot ze de schildpad die ze het liefst tevoorschijn zag komen, op te pakken. De liefde stroomde weer door haar heen. Heel voorzichtig hield ze het beestje vast. Ze had een list bedacht. Ze liep een heel eind de zee in met het beest. Ze moest opnieuw even wennen aan de kou maar was vastberaden. Toen ze tot haar middel in het water stond, hield ze de schildpad onder water. Ze wist het zeker. Nu zou hij eruit komen. Ze wiegde het schild zachtjes heen en weer. Zo zou het beestje dezelfde streling van het water voelen die zij vanmiddag aan haar huid had gevoeld. Er was zoveel goeds en zoveel moois buiten het schild te ontdekken. Dat zou het beest nu toch wel bewegen om tevoorschijn te komen. En ze bleef wiegen en kijken. En kijken en wiegen. Een diep verdriet kwam omhoog. Al haar liefde en al haar geduld, zelfs haar woede konden de dieren niet vermurwen.Woedend gooide ze het schild zover ze kon de zee in. En plofte in het water waar het strand en de golven elkaar ontmoetten. Een schildpad wilde niks zien. Daar was ze nu zeker van. Die wilde alleen maar op het strand liggen en lekker warm worden in de zon. Na lang gehuild te hebben begreep ze dat het de schildpadden niet zoveel uitmaakte of ze nu langskwam of niet. Ze hadden het goed. En wilden niet tevoorschijn komen om bij haar te zijn. Bibberend stond ze op. Ze was koud en liet zich nu languit in het warme zand vallen. De zon en het zand maakten haar weer door en door warm.
Nog één keer kwam ze overeind om bij de overgebleven schildpadden te gaan zitten. Diep dacht ze erover na hoe het toch kon dat de verlangens van de beesten zozeer verschilden van die van haar. Totdat ze plotseling in de verte een vogel zag die capriolen in de branding maakte. Nieuwsgierig vloog ze overeind en rende er naar toe.

donderdag 22 maart 2018

When love was king van Gregory Porter

Gisteravond, 21 maart, begin van de lente, was ik met mijn lief naar Gregory Porter in Carré. Ik ga niet vaak naar concerten omdat ik niet zo van de grote groepen mensen ben. En áls ik naar een concert ga dan zet ik me lijfelijk vaak een soort van schrap. Gisteravond hoefde dat niet en kon ik het binnen laten komen. En ik werd echt omver geblazen door dit lied. De tranen liepen me over de wangen. Prachtig!



When Love Was King
Once was a kingdom, far far away.
Love was the rule of the day.
Nothing more nothing less
Than to give your friend your best.
There's much more story that I could tell
To make the hardest hearts swell.
This is the story when love was king.
When love was king, do you remember?
When love was king, when love was king
I remember when love was king
He ruled the land, with his fist unfurled
With open arms for the world
Of hungry children, first he'd think
To pull their lives from the brink
When love was king
He rescued souls lost in the sea
In drifting vessel he would hear their plea
When love was king
He threw a line before they'd sink
And gave the thirsty ones a drink
He told the meek that they should try
To use the sword to smite the lie
That being king is for the weak
When love was king
I pray the lord these words we seek
When love was king
He showed respect for every man
Regardless of their skin or clan
Beside him stood his mighty queen
and equal force wise and keen
He lifted up the underneath
And all his wealth he did bequeath
To those who toiled with out a gain
SO they would remember his reign
So seek someplace to call your own
Right next to this mighty shinning throne
When love was king
When love was king
Songwriters: Gregory Porter
Songteksten voor When Love Was King © Universal Music Publishing Group

woensdag 21 maart 2018

Join the Movement #onebillionhappy



Your happiness is your priority. Vanuit een totaal andere hoek bevestiging dat ik op de goede weg zit. Invest in your happiness en find the compassion to share it

maandag 19 maart 2018

Het evangelie van Starik


Het evangelie van Starik
Ik moet mijn zoon nog zeggen
dat hij moet leren op zichzelf
te staan, ik moet hem uitleggen
je komt alleen, je gaat alleen
en onderweg zijn vele wegen
maar die gaan nergens heen.
Twaalf is hij. En grijnst verlegen.

F. Starik (1958-2018)
uit: Songloed (2007)

donderdag 15 maart 2018

Wat koffie, zwanen, Wibe Veenbaas en René Gude met elkaar te maken hebben

Trynke Minzinga Zijlstra Veenstra
Wat ben ik toch een gezegend mens dat ik met enige regelmaat mij mag laven aan de wijsheid van mensen als Wibe Veenbaas. Afgelopen weekend 'Jouw verhaal als bron' had ik meerdere verdiepende inzichten, dingen die ik eigenlijk cognitief al wist maar die ik nu ineens ook werkelijk begreep, een ervaren begrijpen. Woorden als buigen, geven en aannemen, dienen en schuld en onschuld krijgen nu werkelijk betekenis voor me. Als ik aanneem wat zich heeft voorgedaan in mijn leven, werkelijk aanneem dan kan ik buigen voor het leven, buigen voor mijn verleden waar mijn verhaal ligt, als bron. En als ik werkelijk aanneem pas dan kan ik werkelijk dienend in het leven staan.
Want ik begrijp nu dat mijn huidige vorm van geven, waarin ik bijna wel zeker weet dat ik daar niet alleen in sta, mij ook vaak het gevoel van controle geeft, waarmee ik in de onschuld sta. Bouke de Boer van het NTI-NLP zei vaak: durf in de schuld te staan. Maar nu pas begrijp ik wat hij bedoelde. En misschien zijn de woorden zo achter elkaar gezet nog steeds niet heel helder maar bij mij van binnen voelt het wel helder. Wat een geluk!


En voorheen zou ik het gevoel hebben tekort te schieten, dat ik zo dom ben dat ik het nu pas begrijp, maar ook dat heb ik nu niet. Ik kan ook heel goed voelen met wat Wibe bedoelt dat we leerlingen zijn van het leven. Daarom kan ik ook in mijn nieuwsbrief schrijven dat jij en ik heling los kunnen laten omdat jij en ik al heel zijn. En hoe prachtig is het dan dat Jan Bommerez 10 juni weer een workshop komt geven over Die kunst van het loslaten. Het leven moet voorwaarts geleefd maar achterwaarts begrepen (Kierkegaard).

En Wibe zegt: 'de ontmoeting als leerlandschap'. Vanuit werkelijke interesse. Met het hart open. René Gude, wát heb ik veel van die man geleerd, zei het volgende tegen Theo Maassen tijdens de '24 uur met': "Het woord interesse is opgebouwd uit de twee latijnse woorden ‘inter’ (tussen) en ‘esse’ (zijn). Gude tegen Maassen: “jij bent een zijnder, ik ben een zijnder, en inter-esse betekent: dat wat er tussen ons is. Wij zijn daar samen in geïnteresseerd, het gaat ons samen aan. We moeten er allebei aan meedoen, en zodra één van ons tweeën zich daaruit terugtrekt is het weg. Als wij echt zijn is er tussen ons ook iets, en dat is nu net iets waar we het meeste belang aan hechten”.
Zo jammer dat ik René Gude niet meer uit kan nodigen naar LOFT!

Maar ik kan jou vrijdag 23 maart om half tien bij PostPlaza. wel uitnodigen voor zo'n ontmoeting, als leerlandschap vanuit werkelijke interesse en het hart open. Met een heerlijk bakje koffie erbij! Een inademing van de ziel: Inspirare. Mail mij wel even als je wilt komen!
Het geluid van de vleugels van de zwaan staat in het hindoeïsme voor het in- en uitademen van de heilige levensadem. En bij de indianen brengt de zwaan tijden van transformatie en veranderende staat van bewustzijn.

dinsdag 13 maart 2018

Ken je mij van Trijntje Oosterhuis

Tijdens de tweedaagse 'Jouw verhaal als bron' met Wibe Veenbaas haalde hij een aantal keren dit lied van Trijntje Oosterhuis aan. De tekst is geschreven door haar vader Huub Oosterhuis. En hij had zich laten inspireren door Psalm 139. 

Het bijzondere is dat toen mijn moeder, twee jaar geleden, zo ziek was, zij ons, haar kinderen, vroeg of we na wilden denken over haar begrafenis. Over wat voor ons troostend zou kunnen zijn. Ik wilde toen graag 'Ken je mij' van Trijntje Oosterhuis gespeeld hebben. Zo prachtig. Samen hebben we daar nog naar kunnen luisteren doordat ze hier ruimte voor had en gaf. 


Wat nu zo frappant is, is dat mijn vader vanmorgen de friese bijbel erbij pakte, zonder dat ik het over het afgelopen weekend had gehad. En hij mij de suggestie gaf dat ik Psalm 139 bij herhaling zou kunnen lezen. Dus ik heb het uitgeschreven en plak het hieronder neer. Samen met een foto van mijn vader en mij vanochtend bij de koffie. Leren van het leven.

Psalm 139          
Oan ‘e Heare is net te ûntkommen

1             Foar de dirigint. Fan David. In psalm.

O Heare, Jo ha my hifke en Jo kenne my.
2             Jo witte fan myn sitten en oereinkommen.
               Fan fierren al fersteane Jo myn gedachten.
3             Jo bemjitte myn gean en myn lizzen,
               Mei al myn wegen binne Jo bekend.
4             Want der komt my gjin wurd oer de lippen
               Of Jo, Heare, witte der al lang fan.
5             Achter my binne Jo en foar my, rûnom,
               En Jo lizze de hân op my.
6             Dat te witten is my al te wûnder
               En te ferheven; ik kin der net by.
7             Mar wêr moet ik hinne foar jo Geast,
               Wêrhinne flechtsje foar jo eagen?
8             Klim ik nei de himel op, Jo binne dêr.
               Jou ik my del yn it deaderyk, dêr binne Jo ek.
9             Nim ik de wjokken fan é moarntiid
               En stryk ik del by de fierste see,
10          ek dêr sil jo hân my liede
               En jo rjochterhân my fêst hâlde.
11          Al tink ik, dat de tsjusternis myn tekken is
               En al brûk ik de nacht as myn dei,
12          foar Jo is it tsjuster gjin tsjuster
               En de nacht like ljocht as de dei.
13          Jo hawwe ommers myn nieren foarme,
               My weve yn myn memmeskurte.
14          Ik loovje Jo dat ik sa bjusterbaarlik makke bin
               Wûnderbaarlik binne Jo wurken,
               Ik wit it tige skoan.
15          Myn lichem wie Jo net ferburgen,
               Doe’t ik yn it ferhoalene makke bin
               As keunstich weefwurk yn ‘e djipten fan ‘e ierde.
16          Jo eagen hienen my al sjoen,
               doe’t ik noch yn ‘e memmeskurte lei.
               Ja de dagen dat myn lichem foarme waard
               Stienen allegear al yn jo boek beskreaun,
               Doe’t der noch net ien fan bestie.
17          Mar foar my – hoe swier binne jo gedachten te fetsjen,
               Hoe machtich, o God, binne se yn tal.
18          Woe ik se besomje, dan binne se mear as it sân.
               En kaam ik op ‘e ein, dan bliuw ik noch mei Jo dwaande.
19          O God, deadzje dochs de sûnders
               En lit de moardsuchtigen by my wei gean,
20          dy’t dûbelhertich tsjin Jo sprekke
               En har waanwiis tsjin Jo ferheffe.
21          Soe ik gjin hate hawwe yn jo hater, Heare?
               Soe ik net ferachtsje dy’t it tsjin Jo yn ‘e kant sette?
22          Sa folslein is myn haat tsjin har,
               Dat se binne foar altyd myn fijannen.
23          Hifkje my, God, en ken myn hert,
               Bedjipje my en ken myn gedachten.
24          Sjoch, oft ik op in wei-fan-ferdjer bin
               En bring my op de âlde, de ivige wei.


Gesprek met een steen van Wislawa Szymborska




Gesprek met een steen
Wisława Szymborska
Vertaling: Gerard Rasch


Ik klop op de deur van een steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik wil bij jou naar binnen gaan,
overal bij je rondkijken, met jou mijn longen vullen.’

‘Ga weg,’ zegt de steen.
Ik ben hermetisch gesloten.
Zelfs aan stukken geslagen
zullen we hermetisch gesloten blijven.
Zelfs fijngewreven tot zand
zullen we niemand binnenlaten.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik kom uit louter nieuwsgierigheid
die alleen het leven kan bevredigen.
Ik heb me voorgenomen door je paleis te wandelen
en daarna nog blad en waterdruppel te bezoeken.
Ik heb voor die dingen niet veel tijd.
Mijn sterfelijkheid hoort je te ontroeren.’

‘Ik ben van steen,’ zegt de steen,
‘en moet noodzakelijkerwijs mijn ernst bewaren.
Ga hier weg.
Ik heb geen lachspieren.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik heb gehoord datje binnen grote lege zalen hebt,
onbezichtigd en vruchteloos mooi,
verlaten en zonder echo van enige voetstap.
Geef toe datje daar zelf niet veel van weet.’

‘Ja, grote en lege zalen,’ zegt de steen,
er is alleen geen plaats.
Mooi, wellicht, maar dat gaat de smaak van
jouw gebrekkige zintuigen te boven.
Je kunt me leren kennen, maar ervaren nooit.
Mijn hele oppervlak keer ik jou toe,
mijn hele binnenste wend ik van je af.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik zoek in jou geen toevlucht voor altijd.
Ik ben niet ongelukkig.
Ik heb zelf ook een huis.
Mijn wereld is een terugkeer waard.
Ik kom en ga met lege handen.
En als bewijs dat ik hier werkelijk was,
kan ik slechts beschikken over woorden die niemand zal geloven.’

‘Je komt er niet in,’ zegt de steen.
‘Je mist het zintuig van de deelname.
En er is niets wat dat vervangen kan.
Zelfs een tot alziendheid aangescherpte blik
baat je niets zonder het zintuig van de deelname.
Je komt er niet in, hebt er nauwelijks een idee van,
bezit nauwelijks zijn kiem, de verbeelding.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik kan niet tweeduizend eeuwen wachten
voor ik in jouw huis mag komen.’

‘Als je mij niet gelooft,’ zegt de steen,
‘vraag dan het blad, je zult hetzelfde horen.
Vraag het de waterdruppel, zijn antwoord luidt net zo.
Vraag het tenslotte een haar op je eigen hoofd.
Een lach zwelt in me aan, een reusachtige lach,
maar ik weet niet hoe ik hem moet lachen.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.’

‘Ik heb geen deur,’ zegt de steen